Wet- en regelgeving

Bij de toepassing van bodemenergiesystemen speelt de wet- en regelgeving een voorname rol. Met de ‘AMvB bodemenergie’ (Wijzigingsbesluit Bodemenergiesystemen) vallen gesloten energieopslagsystemen onder een wettelijk kader. Dit wordt in onderstaande paragraaf 6 nader toegelicht.

Waterwet en MER

De omvang van het open energieopslagsysteem bepaalt of een melding, registratie of vergunning in het kader van de Waterwet nodig is. Als er een vergunning moet worden aangevraagd zijn bijna altijd leges verschuldigd. Bij grote energieopslagsystemen kan ook een Milieu Effect Rapportage noodzakelijk zijn.

Waterwet

De Waterwet reguleert de verdeling van grondwater met het oog op een optimaal gebruik door de verschillende belangen. De wet is een zogenaamde raamwet: zij geeft hoofdpunten en handvatten voor de uitwerking in provinciale regelingen of via een Algemene Maatregel van Bestuur. De Waterwet is voornamelijk gericht op de waterkwantiteit en niet op waterkwaliteit. Alleen als er ook wordt geïnfiltreerd is de waterkwaliteit van belang. De Waterwet geeft de mogelijkheid om een evenwichtige afweging te maken tussen alle bij het grondwaterbeheer betrokken belangen: de drinkwatervoorziening, land- en tuinbouw, industrie en energieopslag. De wet weegt de noodzaak om te onttrekken af tegen de optredende effecten op de omgeving.

Wetgeving lozingen

Bij het ontwikkelen en het onderhoud van de bronnen komt grondwater vrij. Dit grondwater moet worden afgevoerd. Per project kan de wijze waarop dit gebeurt verschillen, afhankelijk van de (grond)waterkwaliteit, aanwezigheid van oppervlaktewater of riool, eisen gesteld door bevoegd gezag, etc. Als dit bijvoorbeeld gebeurt per vrachtwagen of met behulp van een spuifilter dan is geen lozingsvergunning nodig. Wordt het grondwater geloosd op het riool of het oppervlaktewater, dan is een vergunning of melding bij het betreffende bevoegd gezag noodzakelijk.

Wet Milieubeheer

Zowel open als gesloten energieopslagsystemen zijn niet met name genoemd in het Inrichtingen- en vergunningbesluit (IVB) van de Wet milieubeheer. Vanwege het elektromotorische vermogen van de pompen e.d. vallen deze installaties vaak onder categorie 1 van het IVB en zijn dus in principe vergunningplichtig. Of de vergunningplicht werkelijk speelt, wordt in de eerste plaats bepaald door de vraag of het om een woongebouw of een kantoorgebouw gaat. Verder speelt ter beoordeling van de vergunningplicht mee of de pompen/installatie inpandig of buiten zijn geplaatst.

Woongebouwen

Voor elektromotoren binnenshuis en toegepast voor een woongebouw is een uitzondering voor de vergunningplicht in IVB categorie 1.2 lid b van de Wet milieubeheer (Wm) opgenomen. Voor woonblokken met een installatie buiten (in een apart bijgebouw) geldt in principe de vergunningplicht wel. Voor deze situatie biedt het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer een uitzondering op de vergunningplicht. Met de nieuwe AMvB, en in het bijzonder art 2 lid f van de Wm, is de reikwijdte van het oude Besluit riool- of poldergemalen milieubeheer uitgebreid met water ten behoeve van verwarmingsdoeleinden. In de hierbovengenoemde situatie gelden de voorschriften van deze AMvB. Verder geldt een meldingsplicht bij de oprichting en het veranderen van de werking van de inrichting.

Utiliteitsbouw

Voor kantoorgebouwen geldt op basis van IVB-categorie 1 van de Wm in principe een vergunningplicht. Het Besluit woon- en verblijfsgebouwen kan voor veel kantoorgebouwen met inpandig geïnstalleerde pompen/installaties een uitzondering op de vergunningsplicht bieden. Deze uitzondering geldt niet voor kantoorgebouwen met bijvoorbeeld ook een stookinstallatie met een thermisch vermogen per toestel van 2.500 kW of meer, of niet-vrijgestelde activiteiten.
Voor pompen/installaties buiten het kantoorgebouw geldt in principe weer het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer, aangenomen dat voor de andere activiteiten binnen of rond het gebouw geen vergunningsplicht in het kader van de Wet milieubeheer speelt. Een van die voorschriften is de melding aan het bevoegd gezag.

Locatiegebonden wetgeving

De ligging van het project kan bepalend zijn voor de haalbaarheid van de energieopslag. Dit geldt zowel voor open als voor gesloten systemen. Grofweg zijn er vier belangrijke aandachtsgebieden te onderscheiden: milieubeschermingsgebieden, natuurgebieden, gebieden met archeologisch waardevolle objecten en gebieden rondom spoorlijnen. Een verdere uitleg over deze wettelijke aspecten is terug te vinden in het handboek Richtlijnen dat door Bodemenergie NL wordt uitgegeven.

Wetgeving bronnen en leidingen

Bij de aanleg van bronnen of lussen en leidingen buiten de eigen perceelgrenzen moet toestemming verkregen worden van het bevoegde gezag. Bij het opbreken van de openbare straat moet een opbreekvergunning in het kader van de Algemene Plaatselijke Verordening worden aangevraagd. Ook voor het leggen van leidingen en bronnen/lussen in gemeentegrond is zo’n vergunning nodig. Wanneer bronnen/lussen worden geplaatst in gemeentegrond, dan is het in veel gemeenten mogelijk om ontheffing te krijgen. Gaat het om Rijksgrond, dan moet een vergunning Wet beheer rijkswaterstaatswerken worden aangevraagd bij Rijkswaterstaat.

Besluit bodemenergiesystemen

Het sinds 1 juli 2013 van kracht geworden Besluit Bodemenergiesystemen (AMvB Bodemenergie), heeft vier belangrijke doelen:

  1. de vergunningverlening voor open systemen te vereenvoudigen;
  2. de vergunningverlening voor gesloten systemen regelen;
  3. het voorkomen van interferentie tussen open bodemenergiesystemen onderling, tussen gesloten systemen onderling en tussen open en gesloten systemen;
  4. het borgen van de kwaliteit van de aanleg van bodemenergiesystemen, o.a. door middel van het invoeren van certificering van bedrijven.

De provincie is het bevoegd gezag voor open systemen. De gemeente is bevoegd gezag voor de gesloten systemen.

© 2018 BodemenergieNL